Zingen tegen de storm

Met mijn piepkleine Kentex fietsje zal ik zijn gegaan, een krijgertje, maar o zo handig, om het traject naar mijn moeder af te leggen. Een lange winderige weg van de trein via de prachtige statige beukenbomen laan naar het dorp waar mijn moeder al het grootste deel van haar leven woont.

Eric Scherder, de neuropsycholoog die onderzoek doet naar de invloed van bewegen en muziek op ons brein, zoeft in gedachten met mij mee.
Al fietsend onderhoud ik immers mijn brein.

Sinds 2 jaar verblijft mijn moeder aan de rand van een prachtig park, de goudkust van ons dorp. De setting is een verzorgingshuis, waar ze met haar Zorg Zwaarte Pakket 4, nu niet meer voor in aanmerking zou komen.
Mijn moeders hoofd doet het niet meer, zoals ze zelf zegt. Volgens de psycholoog en geriater heeft ze een cognitieve en angst stoornis. Kortgezegd komt het erop neer dat ze weinig tot niets meer kan onthouden, tenzij je haar helpt en hints met haar “speelt”.

Mijn moeder is een zangeres, niet beroepsmatig, maar het is haar lust en haar leven.
Ze zong in een opera en operette koor en meer dan 50 jaar bij het kerkkoor. Ze heeft er zelfs een oorkonde voor ontvangen. Een mensenleven lang zingen dus. “Als ik maar naar koor kan”: zei ze, toen ze naar het verzorgingshuis ging. En ja dat gingen we regelen. Aan de arm van een medebewoner toog ze iedere dinsdagavond naar koor.
Maar de Annie’s daar (iedereen in mijn dorp heet Annie, inclusief mijn moeder) hielden er een ander idee op na wat betreft participeren in een koor. Dat is niet: zitten aan de kant, meezingen met een andere partij en al helemaal niet zomaar een beetje erbij staan.

Eric Scherder zou haar deelname toejuichen en ik ook. Erbij zijn is immers ook meedoen en dus goed voor lijf, leden en hersenen.

Hoe in ’s hemelsnaam om te gaan met zulk een onvoorspelbaar gedrag?
Ik zie de koorleden de handen al spreekwoordelijk ten hemel heffen in onze oude dorpskerk.
Gevolg: mijn moeder zit niet meer op koor.

Dus toog ik naar een antiquariaat. Een die de boeken van mijn vader had opgekocht. De Jac. P. Thijsse’s, door mijn vader zo lucratief bij elkaar gespaard, lachten mij vanachter het venster toe. Daar vond ik een “Kun je nog zingen, zing dan mee” uit 1938. Het jaar dat mijn moeder 8 was en op school veel zong. Met het boek in de tas, achterop de Kentex wordt het een cadeau. En mijn moeder is met alles blij: “Oh een cadeau, o wat mooi”

Direct begint ze te zingen en wat schetst mijn verbazing!
Zelfs de moeilijkste melodielijn zingt ze met het grootste gemak. Hele flarden tekst komen er vloeiend uit en na elk lied lacht ze: “mooi hè, hahaha”.
“En deze”: roept ze blij verrukt.
Een lied over de storm pikt ze eruit. Ze zingt uit volle borst, de hoge noten met uiterste precisie.

We raken positief gestemd en plotseling weet mijn moeder dat ze met broerlief uit eten is geweest in een o zo leuk restaurantje.

De verzorgende uit haar huis heeft geen oog en oor voor haar enthousiaste zingen, lijkt het……. Ze moet immers door…….
Toch zie ik een vage glimlach. Wij hebben het grootste plezier, mijn moeder en ik, terwijl het buiten en in haar huis en hoofd stormt.

En altijd blijkt zijn vernielende aard
Zo beukt de wind met zijn teugloze vaart
En altijd blijkt zijn vernielende aard
Zo beukt de wind met zijn teugloze vaart…..

 

Linda Willems

(Dit verhaal is de eerste in een serie verhalen, dat later in boekvorm zal verschijnen)